Stoffig, donker en al jarenlang onbewoond. Zo trof interieurarchitect Lola Séguéla het negentiende-eeuwse landhuis aan in de Franse Pays d'Auge streek. De grandeur van vroeger was er nog wel te voelen, maar er moest veel gebeuren voor de villa weer bewoonbaar werd. Twee jaar later is het resultaat een landhuis met een eigen signatuur, eigentijds en tegelijk trouw aan zijn geschiedenis.
Het gaat om een villa van zevenhonderd vierkante meter uit 1850, gebouwd in de Normandische vakwerkstijl die ook wel colombage heet. Kenmerkend voor deze bouwstijl is het houten skelet dat zichtbaar blijft in de gevel, met een rieten dak erop. Het pand ligt op een terrein van vijf hectare.
De eigenaren kwamen bij Lola Séguéla terecht via vrienden voor wie ze eerder een huis had ontworpen. Haar eerdere projecten, villa's op Mykonos en Ibiza, verschilden sterk van wat een Normandisch landhuis vraagt. Toch namen de opdrachtgevers geen risico. Séguéla werkt namelijk vanuit de context van een gebouw en de omgeving, niet vanuit één vaste stijl.
Tijdens haar eerste bezoek ontdekte ze een opvallend detail. Tegen het huis stond een privékapel, ooit gebruikelijk bij vermogende Normandische families. Ook lag de keuken, van oudsher het domein van het personeel, in de kelder. Voor Séguéla was direct duidelijk dat de kapel de nieuwe keuken zou worden.
Samen met architect Patrice Bertrand van bureau Acte 2A pakte Séguéla de renovatie aan. Veel oorspronkelijke elementen bleken de moeite van het behouden waard. De antieke tegelvloeren met cabochons, kleine decoratieve steentjes tussen de grotere tegels, kwamen terug. Ook de fresco's, de eikenhouten lambriseringen in de keuken en het parket werden gerestaureerd. De boogvormige raampartijen waren te ver vervallen, maar zijn nauwkeurig nagemaakt naar het origineel.
In de nieuwe keuken, de voormalige kapel, valt vooral het vier meter hoge spitsboogplafond op. Séguéla liet het behangen met felgekleurd behang en hing er hanglampen van gerecycleerde kalebassen boven het kookeiland. Dat eiland kreeg een blad van travertijn met een matglanzende afwerking. De maatwerkkasten met ruitvormige profielen in de deurtjes zijn door lokale ambachtslieden gemaakt.
In de salon staat een bakstenen schouw uit 1850, omringd door de originele lambriseringen en fresco's. In plaats van deze ruimte behoedzaam te benaderen, koos Séguéla voor een uitgesproken mix van motieven en materialen. Het plafond kreeg een kamerbreed bloemenbehang van Schumacher, op de vloer kwam een Mauritaanse rieten mat en de poefs zijn bekleed met animalierprint.
Dezelfde aanpak is te zien in de octogonale zitkamer. Vloerbedekking in luipaardprint, taupe wanden, gordijnen omzoomd met panterstof en een vintage kroonluchter van zwart Muranoglas. De zitbanken zijn op maat gemaakt en volgen de contouren van de achthoekige wand, met in het midden een grote poef in bloemenmotief.
Deze kamer, met zijn kleinere open haard en de naar elkaar toegedraaide banken, is uitgegroeid tot een van de meest gebruikte plekken in huis. De familie eet er regelmatig met het bordje op schoot, dicht bij het vuur, in plaats van aan de grote eettafel ernaast.
Eén wens van de opdrachtgevers stond vooraf al vast: een echte bar. Séguéla en Bertrand ontwierpen een kast met spiegelwand en een toog van eikenhout, messing en travertijn, met een zwevend tweede blad op twee diagonaal geplaatste pootjes. De verzameling glazen karaffen van de eigenaren staat voor de spiegelwand opgesteld en vormt inmiddels een van de persoonlijkste accenten in het huis.
Schrijf je hier in voor onze nieuwsbrief.